Grote regionale verschillen in behandeling van plegers seksueel geweld leggen nijpend tekort aan middelen bloot

Behandeling CGG

Er zijn grote provinciale verschillen in het aantal zorgtrajecten voor plegers van seksueel geweld. In Vlaams-Brabant start 4 op de 10 vrijwillig met de behandeling, in Oost-Vlaanderen en Limburg daarentegen zijn dat er minder dan 2 op de 10. Dat blijkt uit cijfers van de 17 Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg (CGG). Zorgnet-Icuro, dat instaat voor de CGG's, zegt dat het zorgaanbod niet overal even bekend is en dat de hele sector kampt met een tekort aan middelen.

In elke provincie is er minstens een Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg dat zich toelegt op de behandeling en de begeleiding van plegers van seksueel grensoverschrijdend gedrag of mensen die de drang voelen. De centra begeleiden zowel plegers die door justitie worden doorverwezen als mensen die zich vrijwillig aanmelden.

"Eerst is het belangrijk om te zeggen dat slechts een kleine minderheid van veroordeelde plegers een verplicht traject opgelegd krijgt. Doorgaans zijn dat mannen. Ook in het algemeen wordt een minderheid van mensen met deze verlangens behandeld. 9 van onze 17 centra worden gefinancierd om die erg lange opgelegde behandelingen te geven", vertelt gedelegeerd bestuurder Margot Cloet van de Zorgkoepel Zorgnet-Icuro, waaronder alle 17 CGG's vallen.

Meeste vrijwillige trajecten in Vlaams-Brabant

Uit de cijfers blijkt dat in sommige provincies patiënten zich veel vaker vrijwillig aanbieden om behandeld te worden. Die mensen zijn nog niet in contact gekomen met het gerecht. In Vlaams-Brabant ligt dat aandeel op 40 procent, terwijl dat in provincies zoals Limburg (17 procent) en Oost-Vlaanderen (14 procent) een stuk lager ligt.

Cloet geeft daarvoor een verklaring. "In Vlaams-Brabant is al 25 jaar lang het gespecialiseerde centrum I.T.E.R. actief. Dat brengt verschillende partners samen. We vermoeden dat het door die lange aanwezigheid beter bekend is bij doorverwijzers zoals huisartsen en andere hulpverleners. Die betere bekendheid is een verklaring voor regionale verschillen in het aantal vrijwillig opgestarte trajecten."

"Het kan ook dat veel meer mensen met allerlei problematieken naast grensoverschrijdend gedrag op de wachtlijsten van onze centra staan. Soms moet je dan keuzes maken door de schaarse middelen en kunnen de trajecten niet opgestart worden wanneer iemand daarom vraagt."

Van alle leeftijden

"Op zich is de problematiek van alle leeftijden, maar internationale cijfers geven ook aan dat veroordeelden het vaakst tussen 45 en 55 jaar oud zijn", legt de gedelegeerd bestuurder Cloet uit. "Hoe vroeger mensen zich vrijwillig kunnen aanmelden, hoe beter, want dan kan de ziekte ook niet verergeren."

Te weinig middelen voor hele zorgaanbod

Zorgnet-Icuro benadrukt dat er de laatste jaren erg hard is ingezet op sensibilisering en het motiveren van mensen tot vrijwillige behandeling, onder meer via 'Stop it now!'. "We kampen echter met een serieuze ondercapaciteit. Ministers Gennez en Demir moeten hier dringend over samenzitten en meer middelen vrijmaken."

De groep behandelde mensen moet veel breder worden volgens Zorgnet-Icuro. "De vraag is veel groter dan het aanbod. We moeten inzetten op zowel verplichte als vrijwillige trajecten. Het aantal doorverwijzingen bij justitie zal niet afnemen. Enkel zo blijft de schade voor de samenleving en hun omgeving zo beperkt mogelijk", besluit Cloet. 

Naast de CGG's kunnen mensen met de problematiek ook terecht bij Centra voor Algemeen Welzijnswerk. Daarnaast zijn er ook residentiële centra waar je terechtkan. Wie zich zorgen maakt over zichzelf of iemand in de omgeving kan terecht bij 'Stop it now' op het nummer 0800 200 50 of via vragen@stopitnow.be.

De cijfers in dit bericht werden opgevraagd door Vlaams Parlementslid Freya Perdaens (N-VA) bij bevoegd minister Caroline Gennez (Vooruit).

Lees het volledige bericht op VRTNWS